weekend

Vertalingen

weekend

weekend, week‐endweek-end, week‐end, fin de semaineσαββατοκύριακοعُطْلَةُ نِهَايَةِ الُأسْبُوعvíkendweekendWochenendefin de semanaviikonloppuvikendfine settimana週末주말helgweekendfim de semana, final de semanaвыходные дниhelgวันหยุดสุดสัปดาห์hafta sonungày cuối tuần周末週末 ('wikɛnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s, -en
de laatste twee dagen van de week, waarop veel mensen niet werken Ik ga een weekendje kamperen. In het weekend kom ik niet voor twaalf uur uit mijn bed.