| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.724.067.718 Bezoekers. |
|
week |
0,01 sec. |
|
week1 zn week (weken mv) [wek] periode van zeven dagen Volgende week ben ik er niet. Over een week ben ik jarig. vorige/afgelopen week Het duurt weken voor het klaar is. door de week op werkdagen, niet in het weekend Door de week ga ik altijd om elf uur naar bed. week2 bn week [wek]
1 zacht, slap of mals De hersenen zijn niet meer dan een weke massa. weekdier 2 gevoelig, ontroerd, vol medelijden enz. Hij pakte mijn hand, ik werd helemaal week vanbinnen. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|