week

Vertalingen

week

(wek)
zelfstandig naamwoord meervoud weken
periode van zeven dagen Volgende week ben ik er niet. Over een week ben ik jarig. vorige/afgelopen week Het duurt weken voor het klaar is.
op werkdagen, niet in het weekend Door de week ga ik altijd om elf uur naar bed.

week

weich, Wocheweek, soft, weakmou, semaine, mœlleux, tendreblød, ugesemana, blando, débil, flojo, tiernoheikko, viikkosettimana, mollemollisblød, svak, ukemehakmör, svag, vek, veckaм'який, слабкийyếu ớt, tuầnεβδομάδαнеделяأُسْبُوعtýdentjedantydzieńsemanaหนึ่งสัปดาห์hafta星期седмица (wek)
bijvoeglijk naamwoord
1. zacht, slap of mals De hersenen zijn niet meer dan een weke massa. weekdier
2. gevoelig, ontroerd, vol medelijden enz. Hij pakte mijn hand, ik werd helemaal week vanbinnen.