water

Vertalingen

water

Wasserwatereau, ondeνερόaguaводаacqua, annaffiare, bagnare, diluviareمِياهvodavandvesivodavannwodaáguavattenน้ำsunướcводаמים ('watər)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en, -s
1. meervoud g.mv. vloeistof die in pure toestand geen kleur of smaak heeft, en een groot deel van de aarde bedekt Heb je geen warm water? Ik zet de bloemen even in het water. een glas water onder water zwemmen Door de overstroming stond de hele kelder onder water. de elementen vuur, water, aarde en lucht
elkaar niet kunnen uitstaan of vijanden van elkaar zijn Die twee zijn water en vuur.
minder hoge eisen stellen, wat toegeven
<dit zeg je als je aan lekker eten denkt>
(van een plan) mislukken, niet doorgaan Door het slechte weer is de picknick in het water gevallen.
tevoorschijn komen Niet alle zoekgeraakte documenten zijn boven water gekomen.
2. geologie rivier, meer, kanaal enz. We wonen aan het water.
3. <dit zeg je van iets dat of iemand die heel goed is in zijn of haar soort> Het is een oplichter van het zuiverste water.