was

Thesaurus

was:

wasgoed
Vertalingen

was

(wɑs)
m, o meervoud -sen
1. zachte, vette stof waarvan bijvoorbeeld kaarsen gemaakt zijn of waarmee je boent bijenwas Elke maand zet hij zijn auto in de was.
alles doen wat iemand zegt, zonder je te verzetten
2. veel geld hebben

was

Wachs, Wäschewax, wash, laundry, washingcire, lessive, linge, gâteauвоск, стиркаشَمْع, غَسِيلprádlo, voskvasketøj, voksκερί, πλύσηcera, colada, lavadopyykki, vahapranje, vosakbucato, cera洗濯物, 蝋밀랍, 세탁vasking, vokspranie, woskcera, lavagemtvätt, vaxการซักเสื้อผ้า, ขี้ผึ้งbalmumu, çamaşırquần áo giặt, sáp ong洗涤, , бешеהיה (wɑs)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
1. keer dat je kleren wast de was doen Ik moet nog een was draaien. handwas
2. kleren, handdoeken enz. die gewassen (moeten) worden of net gewassen zijn wasmand wasrek
de problemen in je familie of op je werk openbaar maken