wapperen

Vertalingen

wapperen

flackern, flirten, herumflattern, liebeln, tändelnflare, flareup, flirt, flit, fluttervoltiger, flirter, ondoyer, scintiller, vaciller, conter fleurette, flotter (au vent), flotter ('wɑpərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wapperde , voltooid deelwoord heeft gewapperd
(van haar of een stuk stof) bewegen in de wind Met wapperende haren draafde ze door het bos.