wal

Thesaurus
Vertalingen

wal

Bahnsteig, Bord, Gestade, Kai, Küste, Ring, Strand, Ufer, Walledge, quay, rampart, ring, shore, wharf, bank, border, platformquai, anneau, bague, rive, talus, rempart, bord, cerne [yeux], mur (de terre)δαχτυλίδιmolo (wɑl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -len
1. lange, kunstmatig aangelegde hoop grond of de muren rondom een stad of burcht stadswal
dikke, halve kringen onder je ogen hebben, bijvoorbeeld van vermoeidheid
2. meervoud g.mv. kunstmatige begrenzing van water, bijvoorbeeld in een haven aan wal gaan
beginnen te vertellen
nergens bij horen Veel vroegtijdige schoolverlaters vallen tussen wal en schip.
3. van twee kanten profiteren Die adviseur eet van twee walletjes: hij krijgt zowel van de koper als van de makelaar commissie.