wacht

Vertalingen

wacht

(wɑxt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
1. meervoud g.mv. keer dat je iets bewaakt op wacht staan Twee soldaten hielden de wacht bij de poort.
2. personen die voor de wacht (1) zorgen de wacht aflossen de wisseling van de wacht burgerwacht
3. iets bemachtigen, meestal na een inspanning en ten koste van iemand anders De film heeft twee Oscars in de wacht gesleept.
4. dwingen te stoppen of zich anders te gedragen De renner is door zijn team de wacht aangezegd.
5. iemand met wie je telefoneert laten wachten zodat je een ander telefoongesprek kunt voeren

wacht

Garde, Gardist, Truppenabteilung, Wacheguard, sentry, watchgarde, gardien, sentinelle, gardien/-ienne等待대기等待 (wɑxt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
iemand die iets bewaakt De wachten voor het paleis kijken strak voor zich uit. schildwacht