waard

Vertalingen

waard

(wart) mannelijk meervoud -en

waardin

(war'dɪn) vrouwelijk meervoud -nen
zelfstandig naamwoord
eigenaar van een herberg
je plan zien mislukken Ik had buiten de waard gerekend; door een storing reden er geen treinen.

waard

gültig, wertvoll, Wirt, Werthost, innkeeper, landlord, valuable, worthwhile, expensiveaubergiste, cher/chère, important, digne, coûteuxcaro, costosoстоитværd (wart)
bijvoeglijk naamwoord
zo goed als je kunt Hij vocht voor wat hij waard was.