vuren

Vertalingen

vuren

feuern, schießenfire, shoot, firingtir, tirersparare ('vyrə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd vuurde , voltooid deelwoord heeft gevuurd
met een vuurwapen schieten Van dichtbij vuurde hij nog tweemaal. staakt-het-vuren afvuren