vrucht

Vertalingen

vrucht

Fruchtfruit, foetus, fruitionfruit, fœtusκαρπόςfrutafrutafrutta, frutti, frutto (vrʏxt)
zelfstandig naamwoord meervoud -en plantkunde
1. iets dat uit de bloesems van een boom groeit, vaak sappig is en dat je soms kunt opeten rijpe vruchten vruchtensalade
2. biologie dierkunde nog niet geboren kind of jong een onvoldragen vrucht
3. resultaat de vrucht van jarenlange arbeid vruchteloos
profijt hebben van iets Hij plukt de vruchten van het werk van zijn voorganger.