vrouw

Vertalingen

vrouw

Frau, Ehefrau, Gemahlin, Weib, Gattinwife, woman, female, queen, grass widow, dame, kingfemme, épouse, femelle, dame, dame [carte], créature, féminindonamujer, esposa, hembrarouva, nainen, vaimoistrikonamoglie, femmina, signora, donna妻, 夫人, 女性żona, kobietamulher, esposa, fêmeasoproga, ženaжінкаvợ, đàn bà, phụ nữженщина, жена, особь женского полаاِمْرَأَة, زَوْجَة, مُؤَنَّثmanželka, ženakone, kvindeγυναίκα, σύζυγοςsupruga, žena, ženka아내, 여성, 여자kone, kvinnefru, kvinnaเพศหญิง, ผู้หญิง, ภรรยาkadın, karı女人, 女性, 妻子女人жена (vrɑu)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -en
1. man volwassen mens die geen man is buurvrouw huisvrouw zakenvrouw vrouwentennis
2. man vrouw (1) met wie iemand getrouwd is Zijn vrouw is vorig jaar overleden.