vrij

Vertalingen

vrij

(vrɛi)
zelfstandig naamwoord onzijdig
vrije dag of vrij moment op het werk of op school Helaas, ik kan geen vrij krijgen. Morgen hebben we een dagje vrij.

vrij

(vrɛi)
bijvoeglijk naamwoord
1. onvrijvastgevangen (van iets/iemand) niet beperkt in zijn of haar beweging, mogelijkheden, gebruik enz. Ik werk vier dagen per week, op vrijdag ben ik vrij. Wat doe je in je vrije tijd? Is deze stoel vrij?
de vrijheid hebben om iets te doen wat iemand vervelend zou kunnen vinden Mag ik zo vrij zijn om te vragen hoe oud u bent? Ik ben zo vrij geweest om voor jou een kaartje te kopen.
2. zonder iets vrij van conserveringsmiddelen belastingvrij

vrij

ziemlich, genug, genügend, hinlänglich, unentgeltlich, zwanglos, freifree, unoccupied, vacant, clear, enough, freeandeasy, quite, rather, sufficientlyassez, libre, plutôt, passablement, suffisamment, avec abandon, desserré, vague, exempt (de), gratuit, gratuitement, librement, sans, vacant, franc/franche, dégagé, disponible, désinvolte, relativementελεύθεροςlibero, franco, vacante, vuotoحُرّ, سالِكuklizený, volnýfri, fritdespejado, libre, vacíotyhjä, vapaaprazan, slobodan自由な, 障害のない무료로, 확실한fri, klarpusty, wolnylivreбез помех, свободныйfriโล่ง, มีอิสระaçık, özgürtrống, tự do畅通的, 自由的 (vrɛi)
bijwoord
nogal Het is vrij warm.