vrezen

Vertalingen

vrezen

befürchten, fürchten, sich ängsten, sich ängstigen, zagenfear, beafraidofcraindre, redouter, avoir peur, appréhender, tremblertemermedopelkoกลัว恐怖frygtстрахφόβοςrädslastrachpaura ('vrezə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd vreesde , voltooid deelwoord heeft gevreesd
bang zijn (voor) Ik vrees dat het niet goed zal aflopen. Je hebt niets te vrezen. Ik vrees van wel.