| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.783.830.378 Bezoekers. |
|
vrezen |
0,02 sec. |
|
vrezen ww vrezen (vreesde enk ovt; heeft gevreesd volt deelw) ['vrezə(n)] bang zijn (voor)
Ik vrees dat het niet goed zal aflopen. Je hebt niets te vrezen. Ik vrees van wel. Vertalingen vrezen befürchten, fürchten, sich ängsten, sich ängstigen, zagen vrezen beafraidof, fear vrezen avoir peur, craindre, redouter, trembler, appréhender vrezen temer Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|