vormen

Vertalingen

vormen

bekräftigen, bestätigen, bilden, formen, gestalten, konfirmierenconstitute, form, shape, accountfor, acknowledge, confirm, corroborate, cut, makeup, compose, comprise, make, moldconfirmer, former, constituer, représenter, mouler, composer, cultiver, modelerforma, formareformasformas ('vɔrmə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd vormde , voltooid deelwoord heeft gevormd
1. laten ontstaan Neem elkaar bij de hand en vorm een kring. De kerk vormt een kruis met vier korte armen. een leger vormen je een oordeel vormen
2. zijn Winkeldiefstal vormt een groot probleem voor winkeliers. Zij vormen de meerderheid.
3. (iemand) laten worden, zich laten ontwikkelen (tot iemand) Zijn oorlogservaringen hebben hem gevormd tot de mens die hij nu is.