vooruitgaan

Thesaurus

vooruitgaan:

vorderen
Vertalingen

vooruitgaan

fortschreiten, Fortschritt machen, vorschreiten, vorausgehenadvance, progress, go aheadavancer, progresser, faire des progrès, partir à l'avance, précéder, aller de l’avantيَبْدَأُpustit segå i gangπροχωρώseguir adelantejatkaazapočetiandare avanti先へ進む(…)을 시작하다sette i gangpójść naprzódcontinuar, iniciar, avançarначинатьsätta i gångทำต่อไปโดยไม่รีรอönden gitmektiến hành前进前進 (vor'œytxan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ging vooruit , voltooid deelwoord is vooruitgegaan
1. achteruitgaan naar voren gaan De wijzer ging zo langzaam vooruit dat ik dacht dat mijn horloge stilstond.
2. beter worden Hij moet nog in bed blijven, maar hij gaat langzaam vooruit.
beter, rijker enz. worden De buurt is er de laatste jaren niet op vooruitgegaan.