voortplanten

Vertalingen

voortplanten

propager, répandre, transmettre ('vortplɑntə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd plantte zich voort , voltooid deelwoord heeft zich voortgeplant
1. biologie (van mensen, dieren, planten) de soort uitbreiden, kinderen of jongen krijgen Krokodillen planten zich voort door eieren te leggen.
2. natuurkunde (van natuurlijke verschijnselen) zich verplaatsen Licht plant zich voort door middel van golven.