voorlezen

Vertalingen

voorlezen

faire la lecture (de qc à qn), lectureleituraletturaανάγνωση ('vorlezə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd las voor , voltooid deelwoord heeft voorgelezen
hardop lezen (voor iemand) Lees de brief maar voor; ik heb mijn bril niet bij me.