voorafgaan

Thesaurus

voorafgaan:

vooropgaan
Vertalingen

voorafgaan

precedeavancer, précéder (vor'ɑfxan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ging vooraf , voltooid deelwoord is voorafgegaan
volgen eerder gebeuren Wat voorafging: ... De bijeenkomst werd voorafgegaan door een wandeling.
eerder gebeuren dan iets Aan de operatie ging een lange voorbereiding vooraf.