volk

Vertalingen

volk

Volk, Leute, Nationpeople, folk, nation, census, nationalitypeuple, nation, gens, foulegentepovoхораالناسאנשיםлюдиlidéคนmänniskorihmisetludzie (vɔlk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -eren, -en
1. de inwoners van een land of groep mensen die dezelfde taal spreekt het Belgische volk het Vlaamse volk woestijnvolk
2. meervoud g.mv. de gewone burgers, die niet tot de hogere kringen behoren Het volk kwam in opstand tegen de adel en de koning.
3. meervoud g.mv. groep mensen De kermis trok veel volk.