| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.758.810.969 Bezoekers. |
|
vol |
0,03 sec. |
|
vol bn vol [vɔl]
1 helemaal gevuld; leeg Ik ging slapen met een volle maag. Niet met volle mond praten. een volle tank Hij trekt overal volle zalen. boordevol overvol halfvol Mijn agenda staat vol met afspraken. 2 met een sterk gevoel van;= vervuld van Vol verlangen keek ik uit naar haar komst. schaamtevol Vol goede moed begon hij te typen. Vol is vol. dit zeg je als er niemand meer bij kan of als je ervoor wilt waarschuwen dat het aantal plaatsen beperkt is een volle dag een hele dag vol zijn van iets/iemand enthousiast zijn over iets/iemand Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|