vol

Vertalingen

vol

voll, ganz, satt, totalfull, entire, whole, complete, overall, replete, satisfied, bumperentier, plein, complet, rassasié, total, complet/-ète, plein (de), pleinement, bon/bonnellenoполныйgremito, pienoمـُمْتَلِيءplnýfuldγεμάτοςtäysipun満ちて가득한fullpełnycheiofullเต็มdoluđầy满的 (vɔl)
bijvoeglijk naamwoord
1. leeg helemaal gevuld Ik ging slapen met een volle maag. Niet met volle mond praten. een volle tank Hij trekt overal volle zalen. boordevol overvol halfvol Mijn agenda staat vol met afspraken.
<dit zeg je als er niemand meer bij kan of als je ervoor wilt waarschuwen dat het aantal plaatsen beperkt is>
een hele dag
2. met een sterk gevoel van Vol verlangen keek ik uit naar haar komst. schaamtevol Vol goede moed begon hij te typen.
enthousiast zijn over iets/iemand