voet

Thesaurus

voet:

voetbeen
Vertalingen

voet

Fuß, Bein, Pfotefoot, die, earthy, termpied, patte, pas, base, tauxchânπόδιpiepiede, base, gamba, zampaقَدَمchodidlofodjalkastopalofotstopaступня, ногаfotเท้าayak (vut)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. lichaamsdeel waarop een mens of dier staat Hij lag drie weken met zijn voet in het gips.
<verzoek om met de onderkant van je schoenen over de mat te wrijven voor je verdergaat>
zonder vervoermiddel
iemand hinderen doordat je precies daar staat waar hij heen of langs wil lopen of iets doet wat hij wil doen
kunnen werken of omgaan met iets
een goed contact hebben met iemand
niet toegeven
niet meer of nog steeds niet in de gevangenis zitten
vluchten
precies zoals iemand is, heel typerend Dat is hem ten voeten uit.
bewust niet doen (wat afgesproken, verplicht, verboden enz. is)
veel moeite kosten Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad voordat het geregeld was.
(een ontwikkeling of iemand) van dichtbij volgen Hij werd op de voet gevolgd door het peloton. De camera volgt de verrichtingen van het grondpersoneel op de voet.
2. onderste deel waarop iets steunt
beneden, aan het begin van de berg