voeren

Vertalingen

voeren

befördern, führen, leiten, tragen, übertragentransport, carry, feed, wear, line, conduct, guide, lead, furconduire, aboutir, mener, reporter, transporter, doubler, fourrer, diriger, Fourons, porter, (trans)porter, nourrir, appâterabbigliare ('vurə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd voerde , voltooid deelwoord heeft gevoerd
1. (een dier) eten geven Bij de ingang van de dierentuin stond een bordje met de tekst 'Verboden te voeren'.
2. (een handeling) uitvoeren oorlog voeren overleg voeren
een publiek, de pers enz. toespreken namens iemand anders
3. brengen naar Dit pad voert naar een mooi dorpje.
het is nu geen geschikt moment om daarop in te gaan (omdat er iets anders moet gebeuren of gezegd worden)
4. (iemand) met de auto vervoeren Het regende, maar gelukkig heeft iemand ons gevoerd.