vlechten

Vertalingen

vlechten

gflechten, schlingen, winden, flechtenbraid, plait, twine, wreathetresser, natter, tissertrecciaالضفائر辫子辮子trenzasflätor ('vlɛxtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd vlocht , voltooid deelwoord heeft gevlochten
touwen, slierten haar enz. afwisselend over en onder elkaar leggen zodat er één geheel ontstaat Tot mijn achttiende jaar vlocht ik mijn haar.