vis

Vertalingen

vis

Fischfishpoissonψάριfiŝaĵopez, pescadokalapescepiscisrybafiskрибаcá, món cáрыбаسَمَكَةrybafiskriba물고기fiskpeixeปลาbalıkדג (vɪs)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -sen
dier met vinnen, schubben en kieuwen dat onder water leeft een school vissen Ik lust geen vis. visvangst
het heel erg naar je zin hebben
heel gezond
iemand heel erg uitschelden