virus

Vertalingen

virus

virusvirusVirusvirusvirusvírusفَيْرُوسvirvirusιόςvirusvirusウイルス바이러스viruswirusвирусvirusเชื้อไวรัสvirüsvi-rút病毒вирус病毒וירוס ('virʏs)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -sen
1. biologie iets dat ziekten verwekt en kleiner is dan een bacterie besmet zijn met een virus
2. computers computerprogramma dat naar je computer gestuurd wordt, die daardoor minder goed werkt Help! Mijn computer heeft een virus!