vies

Vertalingen

vies

unlauter, schmutzigdirty, filthy, unclean, nasty, soiled, squickysale, délicat, difficile, difficilement, gras/grasse, grossièrement, obscène, salement, cochon, crasseux, sordidesuciofangoso, imbrattare, insudiciare, sporcoقَذِرšpinavýbeskidtβρόμικοςlikainenprljav汚れた더러운skittenbrudnysujoгрязныйsmutsigสกปรกkirlibẩn肮脏的 (vis)
bijvoeglijk naamwoord
1. schoon vuil vieze vingers
2. lekker met een onaangename smaak of geur De koffie smaakt vies. Meloenen vind ik vies.
3. (van woorden, moppen, plaatjes, mensen) onfatsoenlijk, niet netjes
ongunstig tijdschriften met prikkelende foto's van seksuele handelingen en geslachtsorganen
een mop die over poep of seks gaat
4. chagrijnig Ze was vies gezind omdat hij haar een uur had laten wachten.
5. raar, eigenaardig
dat voelt raar
6. iets graag doen Hij is niet vies van een beetje provoceren.
7. <dit zeg je als je een tegenvaller hebt, bijvoorbeeld als iets veel moeilijker is dan verwacht>