via

Vertalingen

via

hindurch, quer mitten, überthrough, viapar, via, à traversعَنْ طَرِيقpřesviaμέσωvía, a través dekauttaprekoattraverso・・・経由で...을 거쳐viaprzezviaчерезviaโดยทางyoluylaqua经由, 通过чрез通過דרך ('via)
voorzetsel
1. langs of over (een stad, een weg) Via het Suezkanaal bereikten we de Rode Zee.
met het vliegtuig eerst landen in (een plaats) en vandaar uit verder vliegen naar (een andere plaats) We vliegen via Madrid.
2. door gebruik te maken van Ze kreeg werk via een uitzendbureau.
via verschillende tussenpersonen Via via ben ik dat te weten gekomen.