verwisselen

Vertalingen

verwisselen

in Unordnung bringen, in Verwirrung bringen, verwechseln, verwirrenconfuse, puzzleconfondre, troubler, échanger (vər'wɪsələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verwisselde , voltooid deelwoord heeft verwisseld
(iets) vervangen (2) Verwissel de batterijen altijd tegelijkertijd.