verwijten

(doorverwezen van verweet)
Vertalingen

verwijten

schelten, vorwerfen, Vorwürfe machenblame, rebuke, reproach, reprove, scoldreprocher, gronder, reprendre, réprimander, sermonner, reprocher (à) (vər'wɛitə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verweet , voltooid deelwoord heeft verweten
(iemand) schuldig achten aan of beschuldigen van (iets) iemand iets verwijten Er valt hem niets te verwijten. We hoeven ons niets te verwijten.