verspreken

Vertalingen

verspreken

betray, fluff, put one's foot in one's mouth (vərˈsprek(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd versprak zich , voltooid deelwoord heeft zich versproken
zonder dat je het bedoeld hebt iets (verkeerds) zeggen De minister versprak zich en daardoor werden de plannen voortijdig bekend.