verleden

Vertalingen

verleden

(vərˈledə(n))
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
toekomst tijd die voorbij is een roemrijk verleden
het verleden vergeten en de dingen voortaan anders doen
vroeger ongunstige dingen hebben gedaan of meegemaakt hebben

verleden

Vergangenheit, vorigpast, former, last, previous, priorpassé, précédent, derniercontinuare, durare, infine, scorso, ultimo, passatoالـمَاضِيminulostfortidπαρελθόνpasadomenneisyysprošlost過去과거fortidprzeszłośćpassadoпрошлоеförflutetอดีตgeçmişquá khứ过去בעבר過去 (vərˈledə(n))
bijvoeglijk naamwoord
komend vorig verleden week
dat is voor altijd voorbij