verkleden

Thesaurus

verkleden:

vermommen
Vertalingen

verkleden

habiller (vərˈkledə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verkleedde zich , voltooid deelwoord heeft zich verkleed
1. andere kleren aandoen Ik moet me nog douchen en verkleden.
2. je zó kleden dat je niet te herkennen bent je verkleden als Sinterklaas