verjagen

(doorverwezen van verjoeg)
Vertalingen

verjagen

austreiben, ausweisen, fortjagen, vertreiben, wegjagen, zurückschreckendeter, discourage, expel, scare, chaseaway, driveawayrenvoyer, repousser, dissiper, chasserespulso (vərˈjaxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verjoeg , voltooid deelwoord heeft verjaagd
dwingen weg te gaan Met dat lawaai verjaag je alle vogels.