verdraaien

Vertalingen

verdraaien

drehen, ringen, windencontort, twist, distort, wrytordre, déformer, fausser, faire une entorse (à qc), tourner, torturer, gauchir, contourner, contrefaire, corrompre (vərˈdrajə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verdraaide , voltooid deelwoord heeft verdraaid
1. door draaien stukmaken ik heb mijn pols verdraaid
2. door draaien veranderen je stem verdraaien
iemands woorden verkeerd weergeven