verbranden

Vertalingen

verbranden

verbrennen, äschern, bräunen, sich verbrennenburn, incinerate, beburntdown, burndownbronzer, brûler, se brunir, être brûlé, incinérer, se brûlerqueimar, queimar-seيَحْتَرِقُ, يُحْرِقُ, حرقspálit, spálit sebrændeκαίγομαι, καίω, καύσηquemar, quemarse, quemapolttaaopeći se, spalitibruciare, bruciarsi・・・を燃やす, やけどをする불에 데다, 태우다brenneoparzyć się, palićобжечься, сжечьbränna, bränna sigเผา, ลวกyakmakbị bỏng, đốt烧掉, 烫伤, 燃烧燃燒 (vərˈbrɑndə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verbrandde
1.
voltooid deelwoord heeft verbrand
door vuur kapotmaken geheime papieren verbranden
2.
voltooid deelwoord is verbrand
door vuur vernietigd of gedood worden Al hun bezittingen zijn verbrand.
3.
voltooid deelwoord is verbrand
door de zon een rode huid krijgen Door dat uurtje felle zon is mijn neus is helemaal verbrand.