verbinden

Vertalingen

verbinden

verbinden, agglutinieren, binden, kombinieren, verknüpfen, zusammenheilenconnect, bind, combine, agglutinate, connectup, join, plugin, tie, tieup, link, bandagejoindre, panser, attacher, bander, relier, aboucher, agglutiner, allier, associer, connecter, nouer, réunir, unir, rellier, brancher (sur), connecter (à) [électricité], lier, mettre en communication, rattacher, raccordercasar, vendarيُضَمِّدُobvázatforbindeεπιδένωsitoapovitifasciare包帯をする붕대를 감다forbindezabandażowaćenfaixar, ligarнакладывать повязкуförbindaพันแผลsarmakbăng bó打绷带 (vərˈbɪndə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd verbond , voltooid deelwoord heeft verbonden
1. aan elkaar vastmaken of in samenhang brengen voorwaarden aan een afspraak verbinden We voelen ons sterk met elkaar verbonden.
2. medisch een verband (1) aanbrengen een arm verbinden
getrouwd