vastzitten

Vertalingen

vastzitten

adhérer, être coincé, être en prison, être engagé, être fixé, adhérence, tenirתקועstuck (ˈvɑstsɪtə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zat vast , voltooid deelwoord heeft vastgezeten
1. zó zitten dat je het niet kunt bewegen Die dop zit vast, ik krijg hem niet van de fles.
2. in de gevangenis zitten vastzitten wegens rijden onder invloed van alcohol
3. in moeilijkheden zitten en geen oplossing weten Door een te optimistische planning kwam ik helemaal vast te zitten.