vast

Vertalingen

vast

(vɑst)
bijvoeglijk naamwoord
1. los goed verbonden met iets De dop zit vast; ik krijg hem er niet af.
heel vast
2. onvast stevig vast in het zadel zitten
schrijven zonder te beven
3. onveranderlijk een vaste baan hebben een vaste klant van de kroeg de vaste kosten/lasten

vast

allerdings, beständig, bestimmt, definitiv, einstweilen, endgültig, fest, feststehend, firm, fix, freilich, gediegen, gesetzt, gewiß, immerhin, indes, inzwischen, konstant, sicher, solide, stabil, ständig, stetig, unablässig, unterdessen, wiederstandsfähig, wohl, zuversichtlich, zwar, befestigtfixed, certain, certainly, fast, firm, solid, stable, sure, abiding, allthetime, constant, continual, definite, definitive, firmly, inthemeantime, lasting, meanwhile, permanent, sustainedferme, fixe, solide, permanent, sûr, sûrement, assuré, assurément, certainement, définitif, fermement, certain, constant, continuel, dans l'intervalle, invariable, déjà, entre-temps, fixement, solidement, rituel, probablementfirme, fijostalla, stanla, fissoثَابِتpevnýfastsatστερεωμένοςkiinteäfiksni固定した고정된faststałyfixadoнеизменныйlagadคงที่sabitlenmişcố định固定的 (vɑst)
bijwoord
1. zeer waarschijnlijk Je wordt vast de winnaar van het concours.
zonder twijfel
2. nog niet zonder verder te wachten op iemand of iets Begin maar vast, ik kom je zó helpen.