van

Vertalingen

van

von, ab, aus, anbelangt, aus ... heraus, betreffend, Familienname, seit, über, de, ein düsteres Bild zeichnen, ein rosiges Bild zeichnenfrom, of, surname, about, concerning, on, outof, upon, belong, locale, sufficede, en, au sujet de, hors de, à, dès, entrede, a partir deav, fraحَرْفُ وَصْلِ, مِنْod, zaf, fraαπό, εξ-sta/-stä, -sta, -stäodda, di・・・から, ・・・の...로부터, ...의, ~으로od, zdeиз, от, сav, frånของ, จาก, ทำจากdan, den, onuncủa, từ...的, , 由…而成שלна (vɑn)
voorzetsel
1. <om aan te geven waar iemand of iets vandaan komt> van Amsterdam Ik hoorde het van mijn collega.
2. <om aan te geven wie iets bezit of waar het bij hoort> de jas van mijn zus de moeder van mijn buurvrouw
het verhaal over de schepping
3. <om het materiaal aan te geven waarmee iets is gemaakt> een tafel van hout
4. <om een eigenschap aan te geven> een jongen van ongeveer twaalf jaar oud een kamer van vijftien vierkante meter het beroep van schrijver
5. deze zomer
6. rillen omdat je het koud hebt