vakantie

Thesaurus

vakantie:

verlofvrijaf, verloftijd,
Vertalingen

vakantie

Ferien, Urlaubvacation, holiday, sparetime, timeoff, hiatusvacances, congé, loisirsδιακοπέςfériasferie, vacanze, vacanzaعُطْلَةdovolenáferievacacioneslomaodmor休暇휴일ferieurlopотдыхsemesterวันหยุดtatilngày nghỉ假日празник (vaˈkɑn(t)si)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -s
1. periode van een aantal dagen waarin je vrij bent en niet hoeft te werken gesloten wegens vakantie zomervakantie
vakantie voor scholieren rond Kerstmis en Nieuwjaar
2. vakantiereis op/met vakantie gaan naar Italië