vak

Thesaurus
Vertalingen

vak

Abteilung, Beruf, Fach, Gewerbe, Handwerk, Karree, Quadrat, Viereckcompartment, pigeonhole, section, speciality, branch, department, handicraft, occupation, square, trade, field, subjectmétier, spécialité, carré, domaine, discipline, distinction, spécificité, branche, case, compartiment, matière, profession, partie, panneaucuadradotaglioתיבתボックスمربع상자caixapole (vɑk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. kleine, afgeschermde ruimte in een kast, doos of lade De formulieren liggen in het bovenste vak rechts.
2. een door lijnen begrensd deel van een vlak Maak het vakje achter het juiste antwoord zwart.
3. beroep bakkersvak een vak uitoefenen zij is ontwerpster van haar vak
goed zijn in je werk
4. deel van een opleiding of wetenschap Natuurkunde, scheikunde en biologie zijn exacte vakken.