uittrekken

Vertalingen

uittrekken

ausersehen, auswandern, bestimmen, entreißen, festsetzen, zurücklegendestine, earmark, emigrate, ordain, lengthen, putoff, takeoffenlever, allonger, destiner, prolonger, tirer, arracher par violence, se réfugier, arracher, défaire, enlever [vêtements], étirer, extraire, partir, réserver (pour), se débarrasser (de), ôterfissare (ˈœytrɛkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trok uit , voltooid deelwoord heeft uitgetrokken
uitdoen (1)