uitspreken

Vertalingen

uitspreken

aussprechen, ausdrücken, fällenpronounce, express, announce, articulateprononcer, exprimer, représenter, articuler, émettre, finir (sa phrase), rendre [en justice]pronunciarpronunciarespresso, pronunciareيَنْطِقvyslovitudtaleπροφέρωääntääizgovarati発音する발음하다uttalewypowiedziećпроизноситьuttalaออกเสียงtelaffuz etmekphát âm发音 (ˈœytsprekə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sprak uit , voltooid deelwoord heeft uitgesproken
1. in klanken weergeven Hoe spreek je dat woord uit?
2. in woorden zeggen je dankbaarheid uitspreken
niets zeggen, geen mening geven over de gevolgen van die actie