uitkleden

Vertalingen

uitkleden

entkleiden, ausziehenundress, stripdéshabiller, dépouiller, se déshabillerيُجَرِّدُ, يَنْزِعُ الثِّيابsvléci (se)klæde sig af, tage tøjet afαπογυμνώνω, γδύνωdesnudarse, desvestir, quitarse la ropariisua, riisuutuasvlačiti se, svući sespogliare, spogliarsiはぐ, 服を脱ぐ벗기다, 옷을 벗다kle av, ta avrozebrać, rozebrać siędespir-seраздеватьklä av sig, strippaแก้ผ้า, ถอดเสื้อผ้าsoyunmakcởi quần áo, thoát y剥去, 脱衣服 (ˈœytkledə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kleedde uit , voltooid deelwoord heeft uitgekleed
1. aankleden kleren uitdoen de kinderen uitkleden je snel uitkleden
de pensioenvoorzieningen tot een minimum beperken
2. te veel laten betalen Dat zijn oplichters; ze kleden je helemaal uit.