uithalen

Thesaurus

uithalen:

uittrekkenuitspoken,
Vertalingen

uithalen

ausleeren, ausschließen, aussondern, entleeren, entlocken, entziehen, extrahieren, zapfen, zückendrawout, driveout, empty, express, giveutteranceto, pullout, utter, anticrépandre, retirer, vider, assaillir (qn), de la peine, déblatérer (contre), enlever, étendre, faire, frapper, se donner du mal, s'égosiller, soutenir une note (ˈœythalə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd haalde uit , voltooid deelwoord heeft uitgehaald
1. doen wat niet mag kattenkwaad uithalen
2. wat je hebt gebreid, gehaakt of genaaid weer ongedaan maken de laatste steken uithalen
3. helpen Ik ben bang dat die maatregelen weinig zullen uithalen.