trouwen

Vertalingen

trouwen

heiraten, sich verehelichen, sich verheiraten, trauenmarry, wed, bemarried, getmarried, espousemarier, se marier, épouser, unir par les liens du mariagecasar, casarseيَتَزَوَّجُoženit (se)gifte (sig)παντρεύομαιmennä naimisiinvjenčati sesposare結婚する결혼하다gifte (seg)poślubićcasarженитьсяgifta (sig) medแต่งงานevlenmekcưới嫁娶 (ˈtrɑuwə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trouwde , voltooid deelwoord is getrouwd
voor de wet of de kerk beloven dat je gaat samenwonen en voor elkaar en je kinderen zult zorgen zij trouwen op zaterdag in het gemeentehuis van het dorp