trouw

Vertalingen

trouw

(trɑu)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
ontrouw eigenschap dat je iemand of iets altijd steunt en hem of haar niet alleen laat eeuwige trouw beloven hondentrouw
met goede bedoelingen, oprecht
met slechte bedoelingen, oneerlijk

trouw

treu, bieder, gläubig, loyal, Treuefaithful, loyal, adherence, true, faithfullyfidélité, fidèle, fidèlement, droit, honnête, loyal, loyalement, loyauté, fidèle (à), loyal (envers), mariage, régulier/-ière, régulièrement, constance, foifiel, fielmentefido, leale, fedelmenteبِصِدْقvěrnětrofastπιστάuskollisestivjerno忠実に성실하게trofastwierniefielmenteверноtrogetอย่างเชื่อถือได้sadakatlemột cách trung thành忠诚地 (trɑu)
bijvoeglijk naamwoord
je houdend aan wat je ooit afgesproken hebt of als vaste gewoonte hebt aangenomen iemand trouw dienen de trouwe luisteraars van ons programma trouw aan je principes