trots

Vertalingen

trots

(trɔts)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
1. gevoel waardoor je wil laten zien dat je iets goed hebt gedaan of iets moois hebt glimmen van trots vaderlijke trots
2. gevoel dat je meer waard bent dan anderen gekrenkte/gekwetste trots

trots

stolz, hochfahrend, Hochmut, hochmütig, Hoffahrt, trotz, ungeachtet, zum Trotzpride, proud, defiance, spite, defiantly, despite, inspiteof, notwithstandingfièrement, fier, orgueil, fierté, altier, en dépit de, malgré, altièrement, arrogance, d'un air hautain, fier/fière (de), orgueilleux/-euse, superbe, superbement, enflé, fier/fière, gloireπερήφανος, περηφάνειαufano, orgullo, orgullosofierezza, orgoglio, orgogliosoفَخْر, فَخُورhrdý, pýchastolt, stolthedylpeä, ylpeysponos, ponosan誇り, 誇りに思う긍지, 자랑스러워 하는stolt, stolthetduma, dumnyorgulho, orgulhosoгордость, гордыйstolt, stolthetความภาคภูมิใจ, ภูมิใจgurur, gururlusự tự hào, tự hào骄傲, 骄傲的גאווהгордост (trɔts)
bijvoeglijk naamwoord
1. erg blij met wat je hebt of hebt bereikt trots zijn op je kinderen
erg trots
2. met veel trots (2) met een trotse blik in de ogen