trommelen

Vertalingen

trommelen

trommelntambouriner, battre le tambour, tapoter (ˈtrɔmələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trommelde , voltooid deelwoord heeft getrommeld
1. muziek op een trommel (2) slaan
roepen dat iemand uit zijn bed moet komen
2. met je vingers snel achter elkaar op iets tikken op de rand van de tafel trommelen