optrekken

(doorverwezen van trok op)
Vertalingen

optrekken

hissen, sich überwerfenaccelerate, pickup, separate, sneer, triceaccélérer, accélérer [voitures], contre) [armée], démarrer, élever, être (avec), hisser, marcher (sur, se dissiper, se rendre (à), s'éclaircir, amener (ˈɔptrɛkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd trok op , voltooid deelwoord is opgetrokken
1. (van een motorvoertuig) beginnen met rijden of harder gaan rijden Mijn auto trekt niet snel op, maar de motor is in goede staat.
2. (van mist) verdwijnen